De verteller en schrijver Wim Daniels heeft onlangs over zijn vakanties in zijn jeugd verteld en daar een boek over geschreven. In het radioprogramma “Met het oog op morgen” heeft hij daar uitvoerig over gesproken. Ik woon al 60 jaar niet meer in Gilze en toen ik dit zo hoorde, dacht ik aan mijn eigen jeugd in Gilze, net na de oorlog. Het begrip ‘op vakantie gaan’ was toen nog onbekend.
Door Gerard Cornelissen
Ik zat op de lagere school aan de Raadhuisstraat met 30 tot 40 leerlingen in de klas. Vakantie was voor ons de maand augustus, die eindeloos en altijd zonnig en warm was. Daar keken we naar uit. In het laatste uur van de laatste dag in de laatste week in juli las meester Baeten in de zesde klas het spannende verhaal voor over ‘De adelaars van de Rocky Mountains’, met Linossjoen en Takedar in de hoofdrollen. Daarna renden we naar huis op onze klompen, met voor ons een zee van vrije tijd.
Op pas gemaaide korenvelden waren we bezig met vliegers die we zelf maakten van dunne latjes en krantenpapier en een gekookte aardappel als plaksel. Af en toe kregen we een klosje naaigaren mee als vliegertouw. Als het te kort was, probeerden we nog een klosje te gappen. En dan maar hopen dat jouw tonneke, zo noemden wij die vlieger, het hoogst en verst stond. Een stukje papier werd dubbel gevouwen en op de draad gezet en dat ding zeilde dan naar boven. Een rotjong uit het dorp slaagde er af en toe in om het touw door te knippen. Die kreeg natuurlijk van alles naar zijn hoofd geslingerd en als we hem te pakken kregen, werd hij flink bijgewerkt.
Vaak gingen we met een groepje naar een lei. Dit was een klein, door de velden meanderend stroompje waarvan er verscheidene waren buiten het dorp. Daar kronkelden schrijvertjes op het water, krioelde het van stekelbaarsjes, kikvorsen, salamanders, padden, libellen en muggen. Op blote voeten liepen we door het water en met zelfgemaakte schepnetjes probeerden we deze te vangen en bewaarden ze in onze meegebrachte verroeste ijzeren emmertjes. Uit baldadigheid probeerden we soms een kikker op te blazen door een strootje in zijn achterste te steken. Thuisgekomen werd de vangst verdeeld in glazen potjes, ergens op een plank gezet en meestal door ons moeder aan de kippen gevoerd, want wij keken er niet meer naar om.
In augustus zijn de bramen rijp. Langs landweggetjes, sloten, weilanden, korenvelden en bosranden groeiden volop braamstruiken. Er was nog geen ruilverkaveling. Wij dus stom in de korte broek en zonder hemdsmouwen op pad. Bramen plukken deed je met in de ene hand een klein bakje en met de andere hand plukken tussen de stekels door. Af en toe gleed je weleens uit en belandde je in een sloot of braamstruik. Na een volle emmer bramen te hebben verzameld, gingen we huiswaarts, bedekt met schrammen, muggenbulten en roodblauwe handen en lippen. Thuis werden de bramen gewassen en met een petassiestamper tot moes verwerkt. Daarna kwam er suiker bij en enige dagen werd er gesmuld.
Eindeloos zwierven we door bossen en velden en zagen korenvelden vol met klaprozen, margrieten, koren-, thee- en boterbloemen, waar veldmuizen en patrijzen doorheen scharrelden. We plukten grote bossen hiervan en dachten er ons moeder blij mee te maken. Ik kan me nog goed herinneren dat we ooit een veldje met zonnedauw, een vleesetend plantje, vonden.
Een andere bezigheid was het leeghalen van vogelnestjes. De eitjes werden leeggezogen en aan een stokje geregen. Degene die de meeste verschillende eitjes had, was de bink.
Een van mijn vrienden haalde uit een eekhoornnestje een ‘pattekaal’ jong en bracht hem zelf groot en maakte hem tam. Dat gebeurde ook met kauwen. Als je die tam kon maken, bleven ze altijd rondom je heen fladderen.
De sporen van de oorlog waren rondom Gilze nog duidelijk aanwezig. Toen ik met mijn vriend langs het vliegveld door bomgaten struinde, kwamen we op een plaats waar enkele maanden eerder een straaljager was neergestort. We vonden nog twee grote granaten. Deze brachten we naar het huis van een politieagent en hij liet ze op de stoep voor onze voeten uit zijn handen vallen.
Ieder jaar gingen we naar de speeltuin in Riel, een dorp 6 kilometer van Gilze vandaan. Mijn oudste zus sleepte dan vier, vijf of zes broertjes en zusjes mee, soms aangevuld met vriendjes. Na anderhalf uur lopen kwamen we daar aan en vermaakten ons prima met al die zelf in elkaar geknutselde speeltoestellen. Van Arbowetten had men nog nooit gehoord. Regelmatig kreeg iemand een schommel tegen zijn hoofd, bezeerde zijn benen aan de familiewip, kreeg een bloedneus als hij van de rollende ton kukelde of uit het klimtouw viel. Soms ontstonden er vechtpartijen over wie ergens aan de beurt was. Een wondje meer of minder was gewoon en even blazen en een pleister of doekje deden wonderen. Meegebrachte boterhammen en ranja werden in sneltreinvaart verorberd en wie te laat was, had niets. Die mocht blij zijn met een gebutste appel of peer. Een ijsje en een reep Kwatta waren de traktaties.
Moe en voldaan liepen we weer naar huis en thuis had ons moeder hete bliksem gemaakt: een mengsel van aardappelen en appelmoes met bloedworst en spek. Onvergetelijk heerlijk. Als ik eraan terugdenk, proef ik die bijzondere smaak nog. Niemand in de familie is erin geslaagd om dit recept ooit na te maken.
Op straat zochten we vaak ons vertier. Knikkeren, hoepelen met een gebogen stuk ijzer door de plaatselijke smid gemaakt, hoedje mikken, centje tikken en mitjesteken eindigden vaak in tomeloze ruzies waarbij met stenen en knikkers werd gegooid. Meestal ging het over de mooiste knikkers, bolders genoemd.
Aan het eind van de vakantie mochten we met ons vader mee. Te voet om het vliegveld heen naar het station in Rijen en dan met de trein naar Tilburg. Grote indruk maakten het binnenrijden en het geluid van de stoomfluit van de zware stoomlocomotief. Met veel gesis, geknars en gepiep kwam deze tot stilstand. Daarna het rijtuig in met houten banken en halfopen ramen waar de stoom naar binnen waaide. We maakten ruzie over wie vooruit of achteruit mocht zitten. In Tilburg aangekomen keken we onze ogen uit op het perron, de trappen en de spoormensen met rode petten. We kregen een waterijsje en gingen daarna met een rammelende BBA-bus weer naar Gilze, waar de hete bliksem alweer klaarstond.
Al met al warme en fijne herinneringen die toch ook een beetje mijn leven hebben gevormd. Als ik hieraan terugdenk en mijn eigen kleinkinderen hun tijd zie invullen, ben ik benieuwd hoe zij later terugkijken op hun jeugd.
