April wordt ook wel de ‘grasmaand’ genoemd, omdat het gras dan weer begint te groeien. In Chaam hadden we destijds overal gras, nog steeds trouwens. Gras speelde een belangrijke rol in de Chaamse samenleving, als voedsel voor koeien en paarden tot de mat van de voetbalclub. Chamenaren putten kracht uit gras: “Ge kunt ’t nog zo dikkels plattrappen, mar ’t gaot aaltij wir rechtop staon!”
Door Berry van Oers
Grasveld
Wij hadden destijds een grasveld achter ons huis. Toen we het huis kochten, en van ‘achter de toren’ naar Den Berg ‘emigreerden’, stond het gras daar zo hoog dat we er verstoppertje in speelden. Pa maaide het gras meteen kort af tot aan de grond. Daarna sneed hij met ma’s oude broodmes de ‘piesblommen’ eruit en noemde ons gekortwiekte grasveld voortaan een gazon. In de zomer ging hij er languit op liggen in zijn nieuwe donkerblauwe geruite zwembroek met een krant over zijn hoofd. “Mokt mar da ge nie verbraand”, riep ma dan.
Gazonmaaier
Nadat pa het lange gras achter ons huis eerst met de zeis had gekortwiekt, hield hij het kort door het wekelijks te maaien met de gazonmaaier, zo’n exemplaar dat je moest duwen. Pa was daar bedreven in door telkens korte duwtjes aan zijn ‘douwmesjientje’ te geven. Bij het ‘herres en gees gaon’ ontstonden er lange banen die van elkaar verschilden doordat de grassprietjes door de roller van richting veranderden. Schuin tegenover ons hadden ze een elektrische cirkelmaaier en later een zitmaaier met een tuinknecht erbij. “Net as of ie op ’n schijthuis zit”, zei ma altijd wanneer de knecht aan het maaien was op zijn zitmaaier. “Laot mijn mar deurdouwen”, zei pa dan.
Geur
Pa had aan zijn tractor een maaibalk hangen. Met zijn blauwe McCormick reed hij al maaiend over onze ‘waai’ aan de Kerkdreef. Met de hooihark rijfde pa het gemaaide gras in lange ruggen. Elke dag draaide hij het om zodat het gras langzaam veranderde in hooi. Verderop maaiden ze het gras met een moderne cyclomaaier. “Gift mijn munnen ouwen maaibalk mar”, zei pa dan. Niks rook lekkerder dan het pas gemaaide gras, gevolgd door de geur van hooi dat eens als gras door pa was gemaaid met de maaibalk van zijn trouwe ‘Muccormikske’. Gras kon ook stinken. Aan de boerenkinderen in de klas rook je wanneer ze de kuil met ingekuild gras hadden opengemaakt om de koeien te ‘voeieren’.
Grasparkiet
Tijdens het maaien van het gras was pa altijd voorzichtig, omdat hij geen nestjes van kieviten of graspiepers wilde verstoren. Pa hield van vogeltjes. Wij hadden destijds een volle kooi met groene grasparkieten. Pa had de kooi zelf gebouwd achter ons huis. Toen het klaar was noemde hij de vogelkooi trots een ‘volière’. Pa werd meteen lid van de Chaamse Vogeltjesclub en schreef zichzelf in voor de wedstrijdkeuring onder mijn naam. Zo wonnen we de derde prijs met pa’s allermooiste groene grasparkiet.
Kunstgras
Soms maaide pa het gras wel twee keer. Volgens hem kon de ‘tweede snee’ ook nog best mals zijn. “Vergit det nooit nie as ze het gras wir us veur oew voeten wegmaaien”, leerde pa ons. Marlieske vond het gras er bij anderen altijd groener uit zien dan bij haar thuis. “Det komt omdat er daor meer stront ligt”, legde pa dan uit. Na verloop van tijd kwam Marlieske er zelf achter dat het kwam omdat het kunstgras was.
Padje
In Chaam liepen wij destijds altijd over het gras. “Bij ons is dat niet toegestaan”, zei Hans uit de stad ‘freet’. Hij vertelde dat daar in het park overal bordjes stonden met ‘niet over het gras lopen’ en ‘op het voetpad blijven’. Maar bij ons in Chaam waren ze vaak ‘van het padje af’. Pa zei altijd: “Wie zunnen eigen gang gaot, lopt soms ok wel ‘ns over het gras van ’n aander!”
