Op zondag 25 oktober is het de ‘dag van de stilte’. Dan staan we stil bij de stilte. Wij hadden destijds in Chaam zo’n ‘stiltedag’ eigenlijk niet nodig. Het was toen veel stiller dan nu. De stilte was vaker regel dan uitzondering. We werden al vroeg vertrouwd gemaakt met de stilte.

Door Berry van Oers

‘Stilhouwen’

“As grote meesen praoten dan motten kleine kiendjes stilhouwen”, leerde ma ons. Pa had aan één woord genoeg. “Stilhouwen!” riep hij wanneer hij naar ‘Achter het Nieuws’ keek. Bij oma aan de Ulicotenseweg naast de beek begon dat al een kwartier eerder tijdens het nieuws zelf. “Hou nou toggus efkes stil”, zei ze dan geregeld, “Ik kan Frits Thors bekaast nie verstaon.”

Sleuteltje

Op de kleuterschool aan de Gilzeweg ging de training in ‘stilhouwen’ verder. “Krik krak slot, mondje op slot”, zei de juffrouw dan poëtisch. Ze draaide een denkbeeldig sleuteltje in haar mond om. Dat was duidelijk. Dan hoefde de juffrouw niks te zeggen en wij ook niet. De training werd uitgebreid met ‘stilzitten’. “Veur oew kijken” en “laot oewen buurman mee rust”, riep de juffrouw dan tegen Lieske.

Achteraf

We stepten door de stilte ‘achteraf’ in Chaam. Soms zochten we de stilte in het Teskesbos, totdat de nozems daar gingen crossen op brommers met korte knalpotten. Ook tijdens het ‘biesemen’ plukken op de akker aan de Kerkdreef heerste doorgaans stilte. Alleen wanneer tante Wies vanuit de verte riep dat de koffie klaar was, werd de stilte even verbroken.

Geluid

Wanneer je goed luisterde, hoorde je hoe mooi de stilte klonk. Daar kwamen we achter na de repetitie. Als we na de derde helft over de Dorpsstraat huiswaarts slenterden, hoorden we het geluid van de stilte. Wat overbleef was het tjirpen van de krekels, het ruisen van de bladeren en het kabbelen van de ‘mozzegotjes’ achter de huizen. Wanneer er licht brandde en we pa zagen biljarten bij ‘De Flotsers’ vielen we daar nog even binnen voor een gehaktbal van Corry. “Stille omgang”, riepen de biljarters als Jan weer eens geen bal raakte.

Stilten

De stilte op de autoloze zondagen was ‘onwerkelijk’. De stilte tijdens de avondklok in de coronatijd was 'unheimisch'. De stilte op het kerkhof bij de begrafenis van pa en ma was ‘dankbaar’. De stilte op straat wanneer het Nederlands Elftal aantrad bij het EK en WK was ‘oranje’. De stilte bij het monument op het Raadhuisplein tijdens de dodenherdenking was ‘twee minuten’. De stilte als we in alle vroegte op de eerste zondag in mei gingen dauwtrappen, was een ‘stilte voor de storm’.

Genieters

Stille genieters genoten in stilte van de stilte. Dan was het net zo stil zoals dat in het begin moet zijn geweest toen er nog niets was. We probeerden onszelf dat voor te stellen. Voor even hadden we dan geen naam, leeftijd, beroep of haard. Alleen in de stilte, los van alles, kwamen we onszelf tegen zoals we waren. We werden er stil van.

Druktemakers

Er waren ook druktemakers die niet tegen de stilte konden, maar altijd aan het woord waren, floten of neurieden. Vaak stond bij hen thuis de radio of televisie aan, terwijl ze er niet eens naar luisterden of keken. De stilte maakte hen onzeker en zenuwachtig. Wij hielden van de stilte. Daar waren we goed in. Maar als je te lang stil was, dachten ze dat je iets mankeerde. “Wa bende stil?”, vroegen ze dan.