Laatst was ik op een verjaardagsfeestje, gezellig met zijn allen staande rond statafels. Er was bier en frisdrank in overvloed. We gingen er meteen bij binnenkomst aan. Je kon het zelf pakken uit kratten in de bijkeuken. Lekker makkelijk. Bij ons thuis pakten ze destijds verjaardagsfeestjes anders aan.

Door Berry van Oers

Poef

Wanneer pa of ma jarig waren, zaten we op het bankstel in een kring rond het salontafeltje. Voor de gelegenheid was het bankstel uitgebreid met stoelen uit de keuken om alle gasten te kunnen laten zitten. Wij mochten dan op de poef zitten en de bandrecorder bedienen. “Spoel noggus terug naor La Paloma”, zei duivenmelker ome Toon dan telkens.

‘Bakske’

Ma 'rettereerde' de hele avond 'herres' en ‘gees’. Eerst serveerde ze koffie met gebak voor de gasten. Er was nog een tweede of derde kopje, maar altijd één gebakje. Ma liet alvast een potje thee trekken, voor het geval tante Riet weer ‘het zuur’ had. “Bakske thee”, vroeg ma. “Bakske koffie”, zei Riet. “Ik heb ´t allebaai”, zei ma dan en rende de keuken in om de thee om te wisselen voor koffie.

‘Advecotje’

Na het opruimen van de koffiekopjes en gebaksschoteltjes vroeg ma steevast: “Wa wulde gullie drinken”. Tante Marie en tante Lien hadden altijd graag een Advocaatje. Al jarenlang was dat vaste prik. Toch vroeg ma ieder jaar weer wat ze lustten. “Gif mijn mar ´n Advecotje”, zei Marie dan. “Veur mijn intje, mee ´n bietje slaggeroom erop gère”, zei Lien elk jaar weer opnieuw.

‘Vermoetje’

's Morgens kwamen de buren op verjaardagsvisite. “Doe mijn mar 'n Vermoetje”, zei Toke altijd. “Veur mijn een Vjeuke”, riep Kiske. Jan dronk meestal een 'Citroentje'. “Agger ’n bietje suiker deurhennen ruurt is ie miender bitter”, legde hij uit. Ma dronk geen sterke drank. “Behalve op unnen ijsco”, zei ze. De ene keer goot ze er een scheutje Vermouth bij, de andere keer een scheutje Advocaat en soms Boerenjongens. “Des toch zo lekker”, glunderde ma dan.

‘Boerenjongens’

Ma serveerde Boerenjongens in een borrelglaasje met zo’n zelfde lepeltje erbij als voor de Advocaat. Oma maakte de Boerenjongens zelf. Eerst kookte ze rozijnen in water met suiker en een kaneelstokje. Dan deed oma de rozijnen in een weckpot en goot er brandewijn bij. Na een maand op het schap in de kelder waren de Boerenjongens klaar. “Gif mijn mar Boerenmeskes”, zei opa dan.

‘Jeneverke’

Ma’s neef dronk graag jonge jenever. “Doet 'm noggus vol Joke”, zei hij dan telkens wanneer zijn jeneverglaasje leeg raakte. Ma schonk dan bij tot aan de rand. “Det hort zo”, had ze destijds van Louis achter de toren, achter de toog geleerd. Ome Willem kon zo’n ‘jeneverke’ ineens achterover klokken. “Ge mot nog rijen”, waarschuwde tante Marie. “Laot ‘m mar glijen”, rijmde Willem dan.

‘Stuyvesantjes’

De glaasjes met sigaretten stonden klaar. Voor het manvolk was er ‘Caballero’ en voor het vrouwvolk ‘Stuyvesantjes’ met filter. Ze staken de ene sigaret met de andere aan. Hoe meer ze dronken, hoe dieper de rokers inhaleerden. De rook was te snijden, de temperatuur steeg, de ramen besloegen en de gesprekken veranderden.

‘Toosjes’

Tussendoor serveerde ma ‘toosjes’ met vis uit een blikje en een topje mayonaise uit een tubetje als ‘finishing touch’. Er waren prefab prikkertjes met stukjes kaas, een druifje, zilveruitje of augurkje er aan. ‘Smiths Chips’ stond ook op het menu. Op een keer kocht ma het allernieuwste smaakje. “Des papperika”, legde ze uit. Daarnaast waren er ‘notjes’ en ‘stokskes’. “Pak mar”, zei ma dan de hele tijd.

Afruimen

Rond middernacht zwierden de verjaardagsgasten terug naar huis. “Tis te hopen dasse heel thuis komen”, hoopte ma tijdens het afruimen. “Awir ’n jaorke ouwer en volgend jaor zien we wir mar”, zei pa dan altijd en ging naar boven.