Deze week vindt in Chaam de jaarlijkse wandelvierdaagse plaats. Wij wandelden destijds elke dag, naar de kleuterschool aan de Gilzeweg, naar de winkel van Emma in de Dorpsstraat en naar oma aan de Ulicotenseweg naast de beek. Vroeger was wandelen heel gewoon. We wandelden wat af, maar het leverde ons geen medaille op.

Door Berry van Oers

‘Verballemont’

Toch had je destijds ook georganiseerde wandeltochten, zoals het jaarlijkse dauwtrappen van de Harmonie op de eerste zondag in mei. “Tis net asof ‘t mee terugkomes veul soepeler lopt as mee geesgaons”, constateerde klarinettist Toon dan elk jaar met dubbele tong op de terugweg ter hoogte van de ‘Goudberg’. Ome Jos wandelde in die tijd mee tijdens Pinksteren naar Scherpenheuvel. Bij thuiskomst ging hij dan meteen ‘plat’. “Hij heet z’n eigen wir verballemont”, concludeerde oma dan.

Vooravond

Tegenwoordig zie je steeds meer Chamenaren wandelen, zonder dat ze ergens naar toe gaan. Er zijn er die alleen wandelen, maar er zijn er ook die met z’n tweeën wandelen of in een groepje. Je ziet ze in het centrum wandelen maar ook daarbuiten, vaak in de vooravond, richting Ulvenhout, Baarle-Nassau of Gilze. “Daor hedde temienste fietspaoier waor dagge over hennen kunt wandelen, mar agge naor Alleffen of Ellecoten wandelt hedde kaas dasse oe van oew sokken rijen”, legde wandelaarster Marian uit.

Kuieren

Opa wandelde niet maar kuierde. “Ik gaoi efkes kuieren”, zei hij dan. Hij kuierde op z’n gemak over het paadje langs de beek, een beetje voorover gebogen met zijn armen op de rug en zijn handen in elkaar. Sus van d’n overkant ging ook altijd kuieren. “Ok aon de kuier”, vroeg hij dan wanneer hij opa op het paadje tegenkwam. Ze knikten en kuierden weer door, genietend van alles rondom hen heen.

Hond

Om vragen te voorkomen nam Frans altijd zijn hond mee wanneer hij ging wandelen. Dat was duidelijk. Sjat en Còòp wandelden wel regelmatig alleen, altijd apart en nooit samen. Onderweg troffen ze mekaar en maakten ze een praatje om daarna weer alleen verder te gaan. Het kwam niet in ze op om samen te wandelen. “Wemmen ommes genog aon òòs eigen”, zullen ze gedacht hebben.

Loopjes

Je had meerdere ‘loopjes’. Als tante Kee op zondagmorgen naar de mis ging wandelde ze niet, maar flaneerde ze naast ome Sjef in haar bontjes naar de kerk. Tante To banjerde, terwijl ome Kees achter haar aan sjokte. Bij Sjan bewoog er als ze wandelde veel meer dan alleen haar benen. Koske nam altijd grote passen. Wie kleine pasjes nam was verdacht. Bij vrouwen werkte dat andersom.

‘Rettereren’

De opgeschoten Chaamse jeugd wandelde niet maar slenterde. Tijdens de kermis zag je ze door het dorp slenteren op weg naar ‘Beverly Hill’ bij Nel en Piet of voor een frietje bij Kriesje. Als de kermis voorbij was drentelde de lagere schooljeugd verveeld ‘herres en gees’’ tussen de Kerkdreef en de vijver van de protestantse kerk. Ma hield niet van drentelen. Dat werkte op haar zenuwen. “Hou op mee oew gedrentel”, riep ze dan. Ma was altijd bezig. De hele dag ‘rettereerde’ ze door het huis.

Eindje

Tante Sjo, de zus van opa die in Merksplas woonde, noemde wandelen altijd stappen. “We gaon toch zeker niet te ‘waad’ stappen”, zei ze dan als ome Jaon haar mee nam in ‘zunnen errem’. Trouwens, destijds wandelden Chamenaren eigenlijk niet. Ze gingen liever een eindje lopen. Opa zei dan tegen oma: “Hé gaode mee, dan gaon we ’n endje lòpen!”