Er wordt wat afgeklaagd over het winterongemak. Vooral begin januari toen het eerste pak sneeuw op Chaam neerviel was het raak. In onze kleutertijd waren de winters streng en lang. Dat waren destijds nog eens echte winters! Het vroor dat het kraakte en de sneeuw bleef maandenlang liggen.
Door Berry van Oers
Slinger
Wanneer het vroor hadden destijds veel auto’s moeite met starten. Zelfs ‘choken’ hielp dan niet. Pa had ook zo’n wintergevoelig exemplaar, een grijze Peugeot 403 uit 1957 met kentekenplaat XG-66-22. Wanneer de temperatuur onder het vriespunt dook zag pa de ‘sneeuwbui’ al hangen. “Haolt de slinger mar wir uit de graos”, zei hij dan. Als pa dan ’s morgens naar de Hero in Breda ging werken stond hij eerst een half uur te slingeren en te foeteren. ’s Avonds zat ma ongerust voor het raam te wachten op pa. “Daor komt ie aongeslibberd deur de sneeuw”, riep ze dan opgelucht als pa in aantocht was.
Aanduwen
Soms hielp slingeren niet en moest in de winter onze ‘Peusio’ worden ‘aongedouwd’. Ma zat dan zonder rijbewijs achter het stuur met de versnelling ‘in zijn twee’ terwijl pa duwde. Zodra er wat snelheid was riep pa: “Los!” Ma liet de koppeling los en meestal sloeg de motor dan aan. Je zag in Chaam ‘s winters wel meer auto’s die werden aangeduwd met hulp van de buren. De saamhorigheid steeg er door. Thuiswerken kenden we nog niet. “Ge het er mar te zen en aas gaode mar te voet”, zeiden de bazen toen. Dan kon je beter in de bouw werken zoals neef Piet. “Dan krijde ommes gewòòn vorstverlet”, zei hij.
Washandje
Mijn Tsjechische auto uit 1970 kreeg ook altijd winterse kuren wanneer het kwik onder nul graden zakte. We kregen de motor dan aan de praat door een washandje gedrenkt in kokend water op de bevroren carburateur te leggen. De motor van de rode ‘oostblokker’ lag achterin. “Jouwen auto wordt gedowwen in de plak van getrokken”, constateerde Kiske dan. Het voordeel was dat we uitkeken op een grote kofferbak.
Kranten
Pa omwikkelde de waterleidingbuizen met oude opgespaarde kranten zodat ze niet bevroren. Jaren later vonden we die kranten rond de buizen terug en lazen we het nieuws van toen nog eens terug, zoals in de krant van 8 augustus 1963. Daarin stond een verslag van de ‘Acht van Chaam’ van 7 augustus met de vedetten Jean Stablinsky, Tommy Simpson, Dieter Puschel en Rik van Looy. Jo de Roo won na 145 kilometer de sprint van de kopgroep met Wim van Est en John van Tongerloo. Pater Werenfried verkocht ondertussen langs het parcours foto’s ten bate van het goede doel, aldus het krantenverslag.
Kolen
Centrale verwarming was er destijds nog niet. De keuken werd verhit door de kolenkachel en de huiskamer door de kolenhaard. We moesten elke dag in de vrieskou de kolen uit het kolenhok scheppen. Soms was het deksel vastgevroren. In de rest van het huis was het ‘s winters steenkoud. Ma haalde dan de winterdekens uit de kist. “Hou doew sokken mar aon”, zei ze dan en gaf een kruik mee naar boven. Als we ’s morgens wakker werden stonden de ijsbloemen op de ramen.
Pekel
’s Nachts strooide Ko met zijn vrachtwagen destijds zand over de besneeuwde Chaamse wegen. Dat werkte goed tegen gladheid. Als het dooide bleef het zand achter op de weg. “Pakt d’n bessem mar uit de kooi”, riep ma dan. Moderne gladheidsbestrijding deed al snel zijn intrede met het strooien van pekel. “Ko hèèt veurt in de plak van unne zaandwaogen unne pekelwaogen”, vertelde pa. Hij had een hekel aan pekel. “Munne Peusio roest er ommes van onder m’n kont uit”, zei pa dan.
