Bij de vernieuwing van de weg dwars door Chaam kwamen er in de kom ook nieuwe lantaarnpalen in een eigentijds design. ‘Liechtpaolen’ zeggen ze in Chaam tegen lantaarnpalen. Zowat het eerste wat ons opviel toen we konden lopen en de straat opgingen waren Chaamse ‘liechtpaolen’.
Door Berry van Oers
Schijnwerper
Overal bij ons in de straat stonden lantaarnpalen. Om de vijfentwintig meter was er wel eentje en dan aan weerskanten van de weg, elk zo’n zes meter hoog. Je kon er niet naast kijken. Recht voor ons huis stond ook zo’n lantaarnpaal. Als we de voordeur open deden stonden we letterlijk ‘voor paal’. Eerst wilden we nog vragen aan de ‘geminte’ om de paal te verplaatsen, maar ma zei “Laot ‘m mar staon, want dan staon wij ok ‘ns in de schijnwerper.”
Sneeuwvlokje
Het sneeuwde destijds iedere winter en de sneeuw bleef wekenlang liggen. ’s Avonds in het licht van de lantaarnpaal zagen we de sneeuwvlokjes naar beneden dwarrelen. Dat gaf een knusse sfeer. We probeerden zo’n vlokje in het licht van de lantaarnpaal te volgen tot het de grond raakte. Sneeuwvlokjes waren doorgaans bescheiden, maar onze ‘liechtpaol’ zette ze vlak voor hun overlijden toch nog even in de spotlight.
Magneet
Lantaarnpalen waken over de nacht. Ze zijn de ‘finishing touch’ van de straat en zetten de puntjes op de ‘i’ van Chaam. Een lantaarnpaal is een magneet voor motten en muggen. “As ik ’s aovus in d’n donkerte over straot lòòp ben ik ok ne magneet”, vertelde Riet. Fraas raadde haar aan om dan onder een lantaarnpaal in het licht te gaan staan. “Dan schrikken ze en lopen ze deur”, zei Fraas. ”Het begient mee een ‘l’ en het eindigt er mee”, sneerde Rietje dan. “Unne liechtpaol”, lulde Fraas.
Geflikker
Op een keer ging de lantaarnpaal bij ons voor de deur de hele nacht aan en uit. Hij flikkerde zogezegd. Ma had er al eens voor gebeld, maar de reparateurs kwamen maar niet opdagen. “Ik wor zot van det geflikker”, zei ze. De buurman adviseerde pa om er maar een ‘kaaike’ tegen te gooien. “Ze motten die laamp ommes strak toch vervangen”, zei hij. In slechts één worp was het geflikker voorbij.
Taalles
Bij ons in de klas gebruikte de meester tijdens de taalles altijd een lantaarnpaal om ons te leren wat ‘voorzetsels’ zijn. “In unne liechtpaol kunde ‘in’ klimmen, ‘tegen’ aonrijjen, ‘onder’ gaon staon en iets ‘aon’ hangen”, legde hij uit. “En unnen ooievèèr kan er ‘op’ zitten”, vulde Kriesje aan. Dat had hij gezien ter hoogte van het ‘Gadbroek’ toen hij naar Breda fietste. ‘Daor stond er intje boven op unne liechtpaol”, beweerde Kriesje.
Hond
Lantaarnpalen zorgen voor veiligheid, letterlijk en figuurlijk. Bij een lantaarnpaal kun je ’s nachts altijd nog even aankloppen, want er brandt boven altijd nog licht. Onze hond hield ook van lantaarnpalen, maar dan van onderen. Eerst rook hij er aan en daarna hief hij zijn achterpoot op. Altijd in diezelfde volgorde. Onze poes deed het andersom.
Vrienden
Eigenlijk, als puntje bij paaltje komt, gaat er niets boven Chaamse ‘liechtpaolen’. Wanneer je ‘s avonds laat helemaal alleen naar huis toe zwalkt, zijn de lantaarnpalen je enig overgebleven vrienden. Terwijl jij dan op ‘half elf’ loopt, staan zij kaarsrecht overeind en geven je houvast. Als bij jou het lampje langzaam uitgaat, blijven zij branden.
