Al maanden van te voren begonnen we te trainen voor carnaval. Het trainingsprogramma bestond uit voorslapen, voorgloeien en rennen. Daarnaast behoorden sparen, bestellen, breien, persen en ‘op de muziek’ leren lopen bij een goede voorbereiding op het Chaamse carnavalsfeest.

Door Berry van Oers

Voorslapen

Fraaske ging in de weken voor carnaval altijd laat naar bed, om daar aan gewend te raken voor als hij straks tijdens carnaval tot diep in de nacht aan de toog bleef plakken. Joske daarentegen ging juist in de tijd voor carnaval extra vroeg tussen de lakens om ‘voor te slapen’, zodat hij tijdens carnaval minder slaap nodig had. “Om d’n hele naacht deur te kunnen douwen”, legde hij uit.

Voorgloeien

Joefke dronk in de weken voor carnaval geen bier. “Ik haol ommes mee carreneval de schaoi wel in”, zei hij. Maar volgens Simon was dat dom. Hij pakte vanaf januari regelmatig een pilsje om daar alvast aan te wennen en er zo tijdens carnaval beter tegen te kunnen. ‘Voorgloeien’, noemde Simon dat. “Agge veurgluuid worde mee carreneval nie zat”, legde hij dan uit met dubbele tong.

Sparen

Sparen maakte ook deel uit van ons trainingsprogramma voor carnaval. Wekelijks legden we een rijksdaalder apart om tijdens carnaval ‘los’ te kunnen gaan. Kriesje spaarde geen geld maar consumptiebonnen die hij overhield van de kermis en de ‘Acht van Chaam’ om ze tijdens carnaval in te zetten. “Dan kost carreneval oew bekaast niks mir”, legde hij uit. “Ge zet unne knurft”, zei ma dan.

Rennen

De carnavalstraining was gericht op het opbouwen van een goede conditie alvorens carnaval losbrak. Wekelijks zag je Annie en Lieske dan door de Chaamse bossen rennen. Bij hen ging het niet zo zeer om een goede conditie, maar vooral om er tijdens carnaval ‘strak’ uit te zien. Annie en Lieske wisten dat wij tijdens carnaval de lat altijd wat lager legden.

Bestellen

Oefenen met bestellen hoorde ook bij onze carnavalstraining. Destijds stak je gewoon je hand op en dan kreeg je vijf pilsjes. Stak je twee handen op dan kreeg je er tien. Naarmate de bierprijzen stegen hielden we het bij vingers, meestal twee en soms vier als Lieske en Annie erbij waren. Was je alleen dan moest je uitkijken welke vinger je opstak om uitlokking te voorkomen.

Persen

Bij de carnavalstraining hoorde ook het opbouwen van reserves. Toontje dronk al weken voor carnaval sinaasappelsap om zo een flinke dosis vitamine C op te bouwen. “Brengt unne zak persappelsientjes mee”, riep hij dan zijn moeder achterna als die boodschappen ging doen bij de VéGé. Toontje perste wat af. “Dan krijde ommes mee carreneval gin griep”, beweerde hij.

Breien

Bij de voorbereidingen op carnaval hoorde de aanschaf van een kiel en vilten lapjes met motto’s zoals ‘’Ziede gij me gère’ of ‘Agge mar leut het’. Destijds droegen Chamenaren een borstrok onder hun kiel, Noorse sokken in hun klompen en een lange onderbroek om het ‘onderstel’ warm te houden. Ma begon vroeg met breien om alles op tijd voor carnaval af te hebben. Wij schakelden tijdens carnaval van lieverlee over op bekliederde stofjassen, ‘floerse’ broeken met thermo-ondergoed en thermosokken voor in onze suède ‘bakken’. “Laot oew braainolden vurt mar in oewe koker”, zei pa.

Polonaise

In het trainingsprogramma was ook het ‘polonaise leren lopen’ opgenomen. Het meest typische carnavalsritme destijds was de zes-achtste maat, zoals in de liedjes ‘Bij ons staat op de keukendeur’ en ‘Geef mij de liefde en de gein’. Een ander carnavalsritme dat vaak voorkwam was de vierkwartsmaat, ook wel marstempo genoemd, zoals in de krakers ‘Er staat een paard in de gang’ en ‘Brabantse nachten zijn lang’. Kiske had weinig maatgevoel. Dat gold trouwens voor meer Chamenaren. Dat waren degenen die steeds net iets te laat door de knieën zakten bij het lied ‘Zak eens lekker door!”